Gastblog: Prioriteiten

Vanmorgen schreef mijn vrouw de volgende blogtekst:

Waar liggen de prioriteiten?
In BN De Stem van woensdag 6 december lees ik dat D66-Kamerlid Tjeerd de Groot bij elke school een moestuintje wil, want in een moestuin kunnen kinderen leren waar hun eten vandaan komt.
Zet dan naast dat moestuintje (ergens op het dak of zo, want ja, waar kun je het allemaal kwijt) gelijk ook maar een supermarkt neer. Over een paar jaar zien veel kinderen immers de boodschappen uit een bestelauto komen want online je boodschappen doen is in opkomst. “Waar komen dan toch de levensmiddelen echt vandaan?” Ach nee, laten we dan maar gelijk een fabriek bezoeken. Dat kunnen we dan mooi combineren met een bezoek aan een museum, want ook dat moest nog gebeuren.
Het voordeel van zo’n moestuin is wel dat we 2 vliegen in een klap slaan, want kinderen gaan hierdoor meer bewegen. Dat moet namelijk ook nog meer gebeuren op de basisschool.
En zo hebben we nog wel meer in de aanbieding waar scholen op in moeten springen en in veel gevallen als gevolg van maatschappelijke problematiek ook al op in zijn gesprongen.

Maar, waar hebben we het eigenlijk over?
In diezelfde krant lees ik namelijk ook dat in bijna 1.000 basisschoolklassen afgelopen week problemen zijn ontstaan door afwezige leraren. Zo’n 2.000 kinderen zaten op een schooldag thuis. Maar goed, als we de moestuintjes hebben dan kunnen ze daar natuurlijk heerlijk in gaan werken, toch?

Katinka Dekker
(Intern begeleider basisschool De Kroevendonk)

Advertenties

Inclusief onderwijs – onderwijs voor alle kinderen

Vandaag, december 2017, is het de internationale dag voor mensen met een beperking. Eerder schreef ik in een blog al dat ik niet zo’n fan ben van zogenaamde “dagen van….”. Toch begin ik dit blog nu met het noemen van deze dag. Het doet me namelijk denken aan het feit dat inclusief onderwijs soms nog ver weg lijkt terwijl het internationaal verdrag van mensen met een handicap toch aangeeft dat we die kant op moeten. Het toezichthoudend VN-Comité schreef dat “two systems of education: mainstream and special/segregated educations systems” in strijd is met artikel 24 van dit verdrag. Zie ook mijn artikel dat hierover onlangs verscheen: http://www.pomagazine.nl/assets/Denk-inclusief-Artikel-PO-Magazine-2017-5.pdf.

Er zit echter een gevaar in ons praten over inclusief onderwijs in relatie tot dit gehandicapten verdrag. Er zou namelijk de indruk kunnen ontstaan dat inclusief onderwijs alleen gaat over het integreren van kinderen met een handicap, waarbij we snel denken aan kinderen in een rolstoel of met een verstandelijke beperking. Van Hove (2000) begint als hij het concept inclusief onderwijs beschrijft met “Alle leerlingen zijn welkom in de reguliere school in de buurt.” Het benoemen van “alle leerlingen” wil ik deze keer graag benadrukken. Het gaat dus ook om de zogenaamde reguliere kinderen, kinderen die gewoon mee kunnen komen in ons onderwijsstelsel. Het gaat ook om kinderen die meer uitdaging nodig hebben of hoogbegaafd zijn. En laten we vooral niet vergeten dat het ook geldt voor kinderen uit allerlei sociale lagen van de bevolking en van verschillende etnische achtergrond. Als wij bij ons op De Kroevendonk spreken over inclusief denken in het onderwijs dan hebben we het over letterlijk alle kinderen. Je bent kind, dus ben je welkom in het reguliere onderwijs waar we elkaar ontmoeten en samen de samenleving vormen.

Laatst werd mij opnieuw de vraag gesteld of we binnen ons concept toch ook wel oog hadden voor de bekende “middenmoot” en de hoogbegaafde kinderen. Natuurlijk! Inclusief onderwijs zegt immers tegen alle kinderen dat ze welkom zijn. Overigens is het kennen van alle kinderen in je groep tegelijkertijd belangrijk en moeilijk. Zeker als je te maken hebt met een groep van 30 kinderen wat tegenwoordig geen uitzondering is. Bij het goed observeren en analyseren blijkt de zogenaamde middenmoot plotseling erg divers te zijn. Voor wat betreft de hoogbegaafde kinderen is het niet meer dan logisch dat juist bij ons op school hier speciale aandacht voor is door de specialistische ondersteuning die zij krijgen in de kangoeroebijeenkomsten. Inclusief denken en handelen binnen het onderwijs betekent dat je het onderwijs zo inricht dat alle kinderen het juiste aanbod krijgen om zich te ontwikkelen. Ine Heerink zegt het in cahier speciale onderwijszorg nr. 12(Garant, 2005) als volgt: “Laat kinderen opgroeien in een omgeving, die net zo veelvormig is als de maatschappij.

Tegenstrijdig…..?

Deze week verscheen mijn artikel voor het tijdschrift passend onderwijs online: http://www.pomagazine.nl/assets/Denk-inclusief-Artikel-PO-Magazine-2017-5.pdf. Dit artikel schreef ik als voorbereiding op het congres “passend onderwijs in 1 dag”. Dit congres vindt plaats in de Jaarbeurs in Utrecht op 6 februari 2018 (http://www.pocongres.nl/).

Terwijl dit artikel over inclusief onderwijs zijn weg vindt in het onderwijsland ben ik op mijn werk bezig een leerling te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Tegenstrijdig?
Ik worstel er mee. Als groot voorstander van inclusief onderwijs nu toch een leerling verwijzen en dan ook nog in een situatie waarin de ouders de betreffende leerling liever bij ons op school zouden zien. Eén van onze intern begeleiders is bezig om de toelaatbaarheidsverklaring (tlv) aan te vragen. Ze keek me toen het besluit genomen was haast verontschuldigend aan: “Ik weet geeneens hoe dat formulier er uit ziet en wat ik dan moet doen”. Toch hebben we besloten dat dit voor deze leerling op dit moment het beste is. Wij kunnen het niet. Wij zijn niet in staat om deze leerling het onderwijs te geven wat nodig is. Tegenstrijdig?

Ja, het is tegenstrijdig aan wat we met elkaar uitdragen en waar iedereen binnen onze organisatie dagelijks keihard aan werkt, maar toch is dit op dit moment een juiste keuze. Ik heb nu bewust al twee keer de woorden “op dit moment” gebruikt. Werken aan inclusief onderwijs is namelijk onderweg gaan waarbij je het belang van de leerling(en) nooit uit het oog mag verliezen vanwege een soort dogmatisch denken. Op dit moment kunnen we geen passend onderwijsaanbod verzorgen, maar over een aantal jaar ontdekken we misschien dat het in een vergelijkbare situatie wel kan. Dat is kiezen voor inclusief onderwijs in de praktijk. Samen met je team groeien, leren en tegelijkertijd reëel blijven. Je kunt niet op elk moment alles.
Inmiddels zijn wij zo’n 15 jaar op deze weg onderweg en we leren nog dagelijks. Deze ervaring van het aanvragen van onze eerste tlv houdt ons met beide benen op de grond. Tegelijkertijd ben ik trots op een team dat vanuit visie de weg vanuit inclusief onderwijs gaat, maar ook scherp blijft op de realiteit en het belang van leerling(en) niet uit het oog verliest. Misschien lukt het in de toekomst om de nu ontbrekende expertise vanuit de speciale setting ook binnen te halen zodat we weer een stap verder komen. Inclusief onderwijs bereik je niet van het ene op het andere moment. Het is samen op weg gaan en stappen zetten, maar hierbij nooit bang zijn om aan te geven dat het (misschien tijdelijk) een keer niet lukt.

Week tegen kindermishandeling

Logo_WtKM_2017Ik hou niet zo van “de dag van” of “de week van”. Waarom één dag aan iets belangrijks aandacht geven? Mag je het de rest van het jaar dan weer vergeten? Toch liet het thema voor de komende week me niet los. Maandag 20 november geeft kersverse minister Hugo de Jonge de aftrap voor “de week tegen de kindermishandeling”. Er worden zoals gebruikelijk bij dergelijke weken speciale congressen georganiseerd, trainingen aangeboden, de social media wordt ingeschakeld etc. etc. Natuurlijk erg goed dat er aandacht voor is en niemand zal hier tegen zijn. Ik vrees echter ook dat er met name richting jeugdzorg en scholen een accent wordt gelegd op het gebruiken van protocollen en natuurlijk het gebruik van de meldcode. Ook dit is weer goed, maar kinderen worden niet geholpen door een stuk papier. Ze worden geholpen door een leraar die zijn kinderen ziet.

Een paar weken geleden verscheen het boek “Een stille leerling in je klas” van Peter Mol. De ondertitel is veelzeggend: “De leraar als betekenisvolle andere bij kindermishandeling”. Eigenlijk laat Peter in dit boek zien dat de leraar bij alle leerlingen de betekenisvolle ander moet zijn. Het boek leest aan de ene kant makkelijk en tegelijk is het indringend. Niet in de laatste plaats door het persoonlijke verhaal van Paul dat als een rode draad door het boek heen loopt. Peter doet een oproep aan alle leerkrachten om kinderen te zien. Niet alleen die opvallende leerling, maar juist ook de stille leerling. Natuurlijk wordt er in het boek gewezen op de meldcode, maar de nadruk ligt volledig op de rol van de leraar. Aan de ene kant zijn het misschien “open deuren” die beschreven worden, maar ze zijn ook zo waar! Het is immers zo ontzettend belangrijk dat juist kinderen die lijden onder psychische mishandeling, kinderen die als vluchteling ons land zijn binnengekomen merken dat er een leraar is die consistent en betrouwbaar is. Een leraar die in zijn gedrag laat zien “ik zie je, accepteer je.” Hierbij is de leraar geen vriend, maar wordt van hem leiding verwacht. Leiding vanuit relatie. Peter raakte mij door in het boek steeds te wijzen op de rol van de leraar als betekenisvolle ander. Dit ontstaat niet vanuit een checklist of protocol. Het zijn van een betekenisvolle andere vraagt niet om meer tijd en levert niet meer werk op, maar is een “zijn” vanuit de overtuiging dat je inderdaad betekenisvol bent voor de leerling en zijn verdere ontwikkeling. Dit hoort bij vakmanschap. Als je deze week tegen de kindermishandeling extra aandacht wilt geven adviseer ik je het boek van Peter Mol aan te schaffen, te lezen, te herlezen en je bewust te zijn van het feit dat je betekenisvolle ander in het leven van een kind kunt (moet) zijn.

Het boek van Peter Mol is uitgegeven bij uitgeverij LannooCampus.

Groentje

Een tijd geleden kreeg ik de vraag van Ivo Mijland of ik een verhaal wilde schrijven voor een positief onderwijsboek. De vraag was of ik een herinnering wilde beschrijven waaruit blijkt dat er in het onderwijs prachtige dingen gebeuren. Wat mij betreft een mooi initiatief, want in het onderwijs valt genoeg te beleven. Onlangs kwam het boek met allerlei verhalen en herinneringen van verschillende schrijvers en onderwijsmensen uit. Een inspirerend geheel met de treffende titel: “Hoera, ik sta voor de klas!” Mijn verhaal gaf ik de titel “groentje” mee:

Ieder mens wordt mede gevormd door allerlei zaken die hij of zij heeft meegemaakt. Dit geldt ook voor mijn vorming en uiteindelijk de hoera ik sta voor de klasvorming van mijn visie op onderwijs. Voor een opleiding beschreef ik dit ooit in een zogenaamd biografisch perspectief. Interessant om te doen en zo eens even stil te staan bij wie je bent geworden en waarom je op een bepaalde manier reageert. Bij de beschrijving die ik toen maakte was er geen plaats voor meester Bouman. Dat maak ik nu goed.

Mijn lagere schooltijd heb ik doorgebracht in Wormerveer (Zaanstad). Ik ging daar naar de School met de Bijbel. Deze school had de toevoeging “Zuid”, want er was ook een school “Noord”. Aan creativiteit geen gebrek. Het hoofd van de school was meester Bouman. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit les van hem heb gehad, maar toch was hij belangrijk. Het kon namelijk gebeuren dat je was gevallen of er sprake was van ander kinderverdriet. Je kreeg dan van meester Bouman een snoepje, het groentje. Een snoepje wat je misschien niet eens zo lekker vond, maar wat een speciale waarde had met een grote boodschap. Meester Bouman liet namelijk merken dat hij je zag en bovenal dat hij “het kind” in je zag. Zo was er een moment dat ik in de klas zat en wat zat te huilen. Mijn opa was net overleden. Meester Bouman wist hiervan en kwam de klas in. Hij wenkte mij. Samen zaten we te praten in zijn kamer en ik kreeg een groentje. Een klein snoepje, maar zo ontzettend belangrijk. Later heb ik me in mijn onderwijzersloopbaan gerealiseerd dat dergelijke momenten bepalend kunnen zijn. Ik had en heb geen “groentjes”, maar probeer altijd de kinderen te blijven zien zoals ze zijn. De kinderen hebben daar recht op en bovendien weten we dat dit noodzakelijk is voor ontwikkeling. Zo kwam er een aantal jaren geleden een jongeman in een keurig pak de school binnengelopen, waar ik nu werk. Hij leek zo weggelopen uit een feest. Breed lachend liep hij op mij af. Ik herkende een oud-leerling. “Ik heb net mijn master behaald en ik dacht dat je dat wel leuk zou vinden”, zei hij. Geweldig! Snel dacht ik terug aan het moment dat hij bij mij als leerling in de groep binnenkwam. Afkomstig van een andere school en nu startend bij ons in de middenbouw. Motorisch niet al te handig en flink last van zijn dyslexie, zo stond het in het dossier dat ik onder ogen had gekregen. Gelukkig zag ik vooral Mark*, een jongen die zich wilde ontwikkelen en wilde leren. Een jongen die naast de begeleiding vooral gezien wilde worden als Mark en de boodschap van meester Bouman nodig had “ik zie je”. Wat gaaf dat Mark mij dit geluksmoment gunde door breedlachend in het pak voor me te staan. Wat gun ik elk kind een meester of juf die “groentjes” wil delen.

*Mark heet in werkelijkheid anders

 

 

Een reguliere school met ‘zwakke’ leerlingen kan floreren

De kop in Trouw van afgelopen vrijdag 3 februari trof mij: “Een school die zwakke leerlingen opneemt, wordt voor straf een zwakke school.”

(http://www.trouw.nl/tr/nl/39683/nbsp/article/detail/4457551/2017/02/03/Een-school-die-zwakke-leerlingen-opneemt-wordt-voor-straf-een-zwakke-school.dhtml)

De alarmklok wordt geluid met als toon dat onderwijsresultaten dalen als er meer kinderen met een specifieke onderwijsbehoefte het regulier onderwijs instromen. Mooi om te lezen dat een collega heeft gekozen om door middel van nauwe samenwerking met een school voor speciaal onderwijs meer leerlingen te plaatsen in een reguliere omgeving. Er klinkt visie in door met onder andere inzet van expertise die beschikbaar is in het speciaal onderwijs. Tegelijkertijd klinkt er een noodkreet. Bijna een angstkreet met het oog op een negatieve beoordeling door de onderwijsinspectie. Met het lezen van dit artikel groeide bij mij de behoefte om een paar opmerkingen te plaatsen.

Allereerst hoop ik dat door dit artikel niet de indruk gaat ontstaan dat onderwijsresultaten van kinderen dalen als ze in een groep zitten met kinderen met een specifieke onderwijsbehoefte. Naast mijn persoonlijke ervaring als directeur-bestuurder van een school die kiest voor inclusief onderwijs, is er immers verschillend nationaal en internationaal wetenschappelijk onderzoek wat aantoont dat zorgleerlingen niet nadelig zijn voor klasgenootjes. Zie bijvoorbeeld het promotieonderzoek van Ruijs (2015) naar aanleiding van de integratie van kinderen met een zogenaamde rugzak (leerlinggebonden financiering). Er is zelfs internationaal onderzoek wat aantoont dat er ook een positief effect (sociaal en cognitief) merkbaar is. In de beschrijving van 4 Nederlandse scholen die inclusief onderwijs vormgeven zoals dat door de organisatie In1School is beschreven in een magazine (https://www.in1school.nl/zo-kan-het-ook-scholen) komt goed het positieve effect van inclusief onderwijs naar voren.

Als je het artikel in Trouw goed leest gaat het echter niet om lagere opbrengsten bij leerlingen van de betreffende groep, maar om een lager schoolresultaat in zijn totaliteit. De onderwijsinspectie kijkt namelijk naar eindopbrengsten van scholen op basis van een aantal gegevens. Bij deze berekening wordt (nog) onvoldoende rekening gehouden met de aanwezigheid van meer leerlingen met een specifieke zorgbehoefte. Het is immers niet te ontkennen dat een school die naar verhouding meer zogenaamde zorgleerlingen opneemt ook veelal lagere schoolopbrengsten kent. Dit omdat deze specifieke leerlingen meetellen in een schoolscore. Eerder schreef ik hier een blog over (https://teundekker.wordpress.com/2013/09/14/ranking-the-schools/) toen RTL in 2013 de scholen een cijfer ging geven. Dat RTL geen rekening houdt met het aantal zorgleerlingen in een school snap ik. Het toont wat mij betreft opnieuw aan dat dergelijke RTL-lijstjes zinloos en nietszeggend zijn als het gaat om de kwaliteit van onderwijs. Voor wat betreft de onderwijsinspectie is het signaal wat ook de voorzitter van de Algemene Vereniging van Schoolleiders geeft denk ik duidelijk. Overigens verwacht ik dat de onderwijsinspectie hier graag over in gesprek gaat met het onderwijs. Zij spreken in dat verband namelijk over de professionele dialoog en eigenaarschap van scholen. Het nieuwe toezichtskader kan hier zeker bij helpen.

Het belangrijkste signaal van het artikel van afgelopen vrijdag moet naar mijn mening uit gaan naar de politiek. Het streven naar passend onderwijs voor elke leerling en een ontwikkeling richting inclusief onderwijs is een goed streven wat past bij de internationale verdragen die ook Nederland heeft ondertekend. De politiek zal echter moeten beseffen dat dit niet kan zonder investeringen. Als we als samenleving, en dus ook het onderwijs, een beweging maken van het medische model naar het zogenaamde burgerschapsmodel mag dit niet blijven steken in mooie woorden, maar moet er ook geïnvesteerd worden in kleinere klassen, voldoende ondersteunende expertise etc. Hierbij is misschien is nog wel het belangrijkste dat we de scheiding tussen onderwijs en jeugdzorg opheffen en deze twee terreinen meer aan elkaar gaan knopen zoals ook Marc Dullaert afgelopen zondag noemde in Nieuwsuur toen hij het had over de vele thuiszitters.

Naast deze wensen kan naar mijn mening het onderwijs echter niet blijven wachten tot alles is geregeld. Er zijn gelukkig voorbeelden te vinden van scholen die vanuit visie werk maken van inclusief onderwijs. Scholen waar kinderen welkom zijn ongeacht hun mogelijke beperking. Scholen waar uitgegaan wordt van mogelijkheden en ontwikkelingskansen van kinderen. Scholen die niet blijven hangen in een “ja maar” denken, maar aan de slag gaan en mogelijkheden zoeken en vinden. Laten we signalen als afgelopen vrijdag in het genoemde artikel blijven afgeven, maar tegelijkertijd vanuit visie, passie en kennis blijven werken aan een meer inclusieve samenleving waarbij inclusief onderwijs de norm is.

Verlos ons van de structuren en protocollen

Vanaf 2015 hebben we de jeugdwet. Hiermee kwam een zeer grote verantwoordelijkheid bij de gemeenten te liggen. Hoewel ik twijfels had dacht ik ook dat het best wel een goede stap kon zijn. Zeker omdat in de wet de samenwerking met het onderwijs was bepaald. Ik probeerde dus door de theoretische plannen opgesteld door dure marketingbureaus heen te kijken, het ontslag van de aan ons toegewezen schoolmaatschappelijk werker voor lief te nemen en te gaan geloven dat een structuur verpakt in een zogenaamd jeugdbos kon gaan werken. Vrolijk werden termen als “vrijwillig kader”, “eigen kracht” en “vooral het 1 gezin 1 plan” neergeschreven in documenten. Het zou allemaal beter worden en kinderen zouden in goede samenwerking met het onderwijs snel de hulp krijgen die nodig was en ouders zouden dit op eigen kracht en volledig vrijwillig omarmen. Aangestuurd door het ambtelijk apparaat van de gemeente kwamen de jeugdprofessionals de scholen binnen. Zij moesten aan de hand van de opgestelde richtlijnen een succes maken van de jeugdwet.

Nu, twee jaar later, zijn de brokstukken nog talrijker dan voor 2015. Structuren en protocollen zijn heilig verklaard. De samenwerking met het onderwijs is afhankelijk geworden van enkele betrokken jeugdprofessionals die de moed hebben om niet precies te luisteren naar de ambtelijke voorschriften. Wijkteams worden naar aanleiding van allerlei processen steeds opnieuw ingedeeld en de jeugdprofessional wordt een makelaar of coördinator van zorg omdat dat beter past bij de bedachte structuren en organisatieschema’s.

Ondertussen zijn kinderen en gezinnen de dupe, worden intern begeleiders gek van het gebrek aan informatie, geven deskundige jeugdprofessionals de moed op en worden er maar weer werkgroepjes en instructiebijeenkomsten bedacht om toch vooral bestaande structuren en banen in stand te houden.

Help! Stop! Ik heb de afgelopen twee jaar op verschillende momenten op verschillende plekken in onze gemeente alarm geslagen en casussen als voorbeeld gebruikt om te laten zien dat het anders moet. Een bijna dodelijke afloop van een casus heeft bij mij iets laten knappen. Ik accepteer dit niet meer. Onze kinderen en gezinnen mogen niet langer het slachtoffer worden van denken in structuren en protocollen. Zij hebben recht op professionele ondersteuning die over grenzen durft stappen en in actie komt ook buiten kantoortijden. Mijn team heeft er recht op om zich volledig te richten op hun vak: het onderwijs. Mijn teamleden moeten daarom in nauw contact kunnen staan met die ene jeugdprofessional die aanwezig is in de school. Die ene jeugdprofessional waar ouders vertrouwen in krijgen omdat er wat gebeurt met de hulpvraag. Diezelfde jeugdprofessional waar ze mee aan tafel zaten toen ze voorzichtig en met lood in de schoenen het opvoedspreekuur binnenstapten.

Stel nu eindelijk eens niet de structuur of het protocol centraal, maar kies voor het belang van het kind! Hou toch eens op met dat verschuilen achter regeltjes en financiën. Het kan toch niet zo zijn dat vanwege bureaucratische regeltjes een kind niet de juiste deskundige hulp krijgt? Die leerling bij ons waarbij de hulp dreigt te stoppen omdat deze hulp uit een andere gemeente komt mag toch niet de dupe worden van deze gedrochten van protocollen? Ik hoorde van een collega dat er bij de begeleiding van een leerling met het syndroom van Down gevraagd werd of hulp (financiën) nog wel nodig was omdat het doel toch wel bereikt zou zijn. Beste ambtenaren: “Het syndroom van Down geneest niet en er is recht op continuïteit in hulp!” De tijd van hulpverleners en begeleiders moet toch in het begeleiden gaan zitten in plaats van in stapels papierwerk om maar iets van het benodigde geld te krijgen? Tijd waar een kind, een gezin recht op heeft mag niet worden besteed aan papierwerk en het snappen van protocollen zoals nu het geval is. Ik hoor teveel verhalen van deskundige hulpverleners die het opgeven en stoppen omdat ze door alle regeltjes niet meer aan de uitoefening van hun vak toe komen.

Ik ben het zat!

Ik heb me voorgenomen om me niet stil te houden totdat bij onze gemeente eindelijk het kind en het gezin centraal staat en niet langer een protocol, het geld of de gekozen structuur. Ik hoop en bid dat er verbetering komt voordat er nog meer slachtoffers van dit regelsysteem bedacht door protocolfundamentalisten komen.