It takes a village to raise a child

Intussen kent bijna iedereen deze van oorsprong Afrikaanse uitspraak. Vandaag werd ik geraakt door wat ik zag in de Roosendaalse wijk Langdonk. In het kader van de buitenspeeldag werd in het centrum van de wijk een huttendorp gebouwd en was er gelegenheid tot veel samen spelen. Kinderen, ouders, jongeren, leerkrachten, pedagogisch medewerkers, jongerenwerkers, opa’s en oma’s………. Iedereen was samen bezig en talenten werden bij elkaar (jong en oud) ontdekt en gebruikt om samen te spelen en te bouwen. Bouwen aan een “village”, bouwen aan de “community”. Vanuit vreedzame school De Kroevendonk bouwen we zo samen met het jongerenwerk van Boost en andere partners aan een vreedzame wijk. Het leren van kinderen is immers niet beperkt tot dat wat er zich binnen de schoolmuren afspeelt. Opgroeien en leren doe je samen in een samenleving waarin ieder zijn of haar plekje heeft en gewaardeerd wordt. In Langdonk was zichtbaar en voelbaar hoe dit kan.

 

 

Advertenties

Kijken in de professionele spiegel

Via Facebook kwam dit weekend een filmpje langs. Dit filmpje is in 2016 door Unicef geplaatst met de boodschap “Change starts when you choose to care.” Een indringend, maar vooral confronterend filmpje. Het laat me niet los en misschien juist wel omdat ik mezelf realiseer dat ook ik me ongetwijfeld laat leiden door uiterlijk in mijn oordeel. In de week dat je een presentatie houdt over inclusie, zelf geconfronteerd worden met een filmpje dat je laat zien hoe je zelf misschien wel meer uitsluit dan je denkt. Het laat me dit weekend niet los en doet me ook denken aan de ophef over profileren bij de politie van ruim een jaar geleden. In de NRC van 11 december 2017 valt te lezen dat de politie sinds kort expliciete instructies heeft opgesteld om ongeoorloofd profileren met betrekking tot huidskleur, afkomst en religie te voorkomen. Etnisch profileren wordt hiermee tegengegaan hopen de opstellers van dit handelingskader. Terwijl er van alle kanten commentaar kwam op de politie op dit profileren doet volgens mij iedereen in de samenleving aan profileren. Wie gaat er niet eerst af op uiterlijk?

Vanmorgen werd in onze kerk een nieuwe dominee voorgesteld. Ik durf te zeggen dat net als ik een heleboel mensen een inschatting probeerden te maken. Wat voor figuur is die nieuwe dominee? Ik denk ook dat op grond van het uiterlijk het eerste beeld werd bepaald. Hoe we ook zeggen tegen uitsluiten en voor inclusie zijn, het uiterlijk (de eerste indruk) zorgt ervoor dat er een beeld van de ander ontstaat. In veel gevallen zullen we zelfs naar dit beeld gaan handelen. In de natuur zien we dit overigens elke keer weer terugkomen. Als ik door de natuur loop zie ik verschillende mannetjesvogels zich al imponerend gaan gedragen naar de vrouwtjes. Ze zetten hun mooiste veren op. Uiterlijk, kunstige vliegbewegingen, gedrag is belangrijk.

Als onderwijsmens denk ik dan gelijk aan ons gedrag als leraren. Dat interactie en relatie belangrijk is in het onderwijs weten we. Tegelijkertijd weten we ook al heel lang dat de verwachtingen van een leraar invloed hebben op het succes van leren. Rosenthal en Jacobson ontdekten dit al in 1968. Er zijn veel vervolgonderzoeken gedaan en elke keer blijkt opnieuw het effect van een “self-fulfilling prophecy”. Het is belangrijk om als professional regelmatig in de professionele spiegel te kijken. Hoe zie ik mijn leerlingen? Laat ik mij leiden door wat ik letterlijk zie (uiterlijk) en het wel of niet hebben van een bepaalde klik? Stevens (2002) beschreef hoe leerlingen gaan voldoen aan de verwachtingen van een leraar. Welke verwachtingen hebben we als leraar van onze leerlingen? Hebben we hoge verwachtingen van leerlingen waar je een mindere klik mee hebt? Wat is het effect van het indelen van leerlingen in groepje 1, 2 of 3 zoals verschillende methodes en groepsplannen adviseren? Zouden allebei de meisjes uit het filmpje dezelfde kansen krijgen in jouw groep? De kinderen in onze scholen hebben er recht op dat ze juffen en meesters hebben die regelmatig in de professionele spiegel kijken en van elk kind hoge verwachtingen hebben.

Denk inclusief

Onderstaand blog verscheen als artikel in het magazine passend onderwijs (december 2017) als voorbereiding op het PO congres op 6 februari 2018 (pocongres.nl). Het artikel is ook te downloaden: http://www.pomagazine.nl/assets/Denk-inclusief-Artikel-PO-Magazine-2017-5.pdf

Nederland kiest voor passend onderwijs, Vlaanderen heeft zijn M-decreet

Nederland en Vlaanderen lijken te worstelen met de vraag hoe je via het onderwijs integratie van kinderen met een beperking tot stand brengt. Beide landen ondertekenden hiervoor internationale verdragen (Salamanca, 1994 en het internationaal verdrag voor de rechten van mensen met een handicap, 2007). Tijdens jaren van politiek geharrewar rond de ratificatie van dit verdrag in onze eigen politiek verscheen in september 2016 een officiële interpretatie van het toezichthoudend VN-Comité. Hieruit bleek opnieuw dat “two systems of education: mainstream and special/segregated education systems” in strijd is met artikel 24 van het zogenaamde gehandicaptenverdrag.

Hoewel het al lang duurt snapt iedereen dat je niet zomaar met een druk op de knop over kunt gaan naar inclusief onderwijs. De opgebouwde expertise in speciaal (basis)onderwijs is immers onmisbaar en het vraagt een andere manier van kijken en werken van de leraren in het regulier onderwijs. Het lijkt er echter op dat wordt geprobeerd om het huidige onderwijssysteem via passend onderwijs wat aan te passen in plaats van radicaal te veranderen. Naast het feit dat dit eigenlijk strijdig is met internationaal recht is het ook gedoemd om te mislukken. Invoering van inclusief onderwijs vraagt immers om veranderen van het onderwijsstelsel vanuit een duidelijke visie. Dat hier randvoorwaarden en geld mee gemoeid zijn spreekt voor zich. Deze randvoorwaarden en het benodigde geld vragen om politieke moed en durf vanuit het onderwijsveld. Aan het onderwijs de vraag hoe we deze maatschappelijke opdracht willen uitvoeren en ook hoe we dit kunnen uitvoeren binnen het huidige stelsel.

Historisch gezien is het begrijpelijk hoe ons huidige gescheiden onderwijssysteem tot stand is gekomen. Vanuit de roep om emancipatie in met name de zestiger jaren kwam er een roep om zorg en goed onderwijs voor iedereen. Als gevolg hiervan is gekozen voor aparte scholen als een bijna logisch gevolg op de selectie naar geloof en klasse die we kenden (of kennen?) in onze samenleving. Dit had een enorme groei van het aantal kinderen richting het speciaal (basis) onderwijs als resultaat. In schooljaar ‘92/’93 ging het om zes procent van het aantal leerlingen. We hebben het op dit moment nog steeds over zo’n vier procent van de leerlingen waarvoor geen plaats is in het regulier onderwijs. Daarnaast is de problematiek van de thuiszitters nog niet meegenomen in dit percentage.

Ons separated system is dus vanuit positieve gedachten ontstaan. Niemand is uiteraard tegen emancipatie van de kinderen met een handicap. Toch weten we intussen uit verschillende onderzoeken dat het inrichten van inclusief onderwijs een beter aanbod is. Bovendien blijkt dat dit positief is voor de ontwikkeling van alle kinderen. Uiteraard zijn voor een succesvolle uitvoering wel randvoorwaarden nodig.

Wat mij betreft is het een verkeerde keuze om wat te ‘rommelen’ in de marge en zo niet volledig te gaan voor inclusief onderwijs. Het lijkt er op dat we, gedwongen door de gemaakte politieke keuzes, direct bezig gaan met het ‘what’ zoals Sinek beschrijft en de fase van ‘why’ hebben overgeslagen. Voor mij bestaat deze ‘why’ om te beginnen uit het nadenken over je mensbeeld, je mensvisie. Een orthopedagoog waar ik tijdens mijn studie colleges van kreeg stelde de volgende vraag tijdens een van zijn lessen: “Wat is volgens jou een mens?” Hij liet deze vraag gelijk volgen met de opmerking dat je voor jezelf hier een antwoord op moest geven voor je kon gaan nadenken over je onderwijsvisie. Deze vraag kun je natuurlijk puur biologisch beantwoorden, maar er zit ook een ethische kant aan die het thema van menswaardigheid raakt. Voor mij heeft het denken over mijn mensbeeld geleid tot de conclusie dat we allemaal als mensen samen leven en dat dit samenleven consequenties heeft voor de inrichting van het onderwijs. ‘Als kinderen en jongeren niet tijdens hun schoolperiode goede voorbeelden van inclusief denken en handelen zien, hoe moeten zij zich dan ooit het inclusieve denken en handelen eigen maken, nodig voor een democratische, rechtvaardige en meer inclusieve maatschappij?’ (Schuman naar Boerwinkel).

Hoewel randvoorwaarden (en geld) belangrijke en soms onmisbare elementen zijn mogen we ons daar als onderwijs niet achter verschuilen. Vanuit visie op een inclusieve samenleving is het mogelijk om nu al stappen te zetten. Inmiddels zijn er verschillende scholen in Nederland en Vlaanderen die deze weg zijn ingeslagen.

Gastblog: Prioriteiten

Vanmorgen schreef mijn vrouw de volgende blogtekst:

Waar liggen de prioriteiten?
In BN De Stem van woensdag 6 december lees ik dat D66-Kamerlid Tjeerd de Groot bij elke school een moestuintje wil, want in een moestuin kunnen kinderen leren waar hun eten vandaan komt.
Zet dan naast dat moestuintje (ergens op het dak of zo, want ja, waar kun je het allemaal kwijt) gelijk ook maar een supermarkt neer. Over een paar jaar zien veel kinderen immers de boodschappen uit een bestelauto komen want online je boodschappen doen is in opkomst. “Waar komen dan toch de levensmiddelen echt vandaan?” Ach nee, laten we dan maar gelijk een fabriek bezoeken. Dat kunnen we dan mooi combineren met een bezoek aan een museum, want ook dat moest nog gebeuren.
Het voordeel van zo’n moestuin is wel dat we 2 vliegen in een klap slaan, want kinderen gaan hierdoor meer bewegen. Dat moet namelijk ook nog meer gebeuren op de basisschool.
En zo hebben we nog wel meer in de aanbieding waar scholen op in moeten springen en in veel gevallen als gevolg van maatschappelijke problematiek ook al op in zijn gesprongen.

Maar, waar hebben we het eigenlijk over?
In diezelfde krant lees ik namelijk ook dat in bijna 1.000 basisschoolklassen afgelopen week problemen zijn ontstaan door afwezige leraren. Zo’n 2.000 kinderen zaten op een schooldag thuis. Maar goed, als we de moestuintjes hebben dan kunnen ze daar natuurlijk heerlijk in gaan werken, toch?

Katinka Dekker
(Intern begeleider basisschool De Kroevendonk)

Inclusief onderwijs – onderwijs voor alle kinderen

Vandaag, december 2017, is het de internationale dag voor mensen met een beperking. Eerder schreef ik in een blog al dat ik niet zo’n fan ben van zogenaamde “dagen van….”. Toch begin ik dit blog nu met het noemen van deze dag. Het doet me namelijk denken aan het feit dat inclusief onderwijs soms nog ver weg lijkt terwijl het internationaal verdrag van mensen met een handicap toch aangeeft dat we die kant op moeten. Het toezichthoudend VN-Comité schreef dat “two systems of education: mainstream and special/segregated educations systems” in strijd is met artikel 24 van dit verdrag. Zie ook mijn artikel dat hierover onlangs verscheen: http://www.pomagazine.nl/assets/Denk-inclusief-Artikel-PO-Magazine-2017-5.pdf.

Er zit echter een gevaar in ons praten over inclusief onderwijs in relatie tot dit gehandicapten verdrag. Er zou namelijk de indruk kunnen ontstaan dat inclusief onderwijs alleen gaat over het integreren van kinderen met een handicap, waarbij we snel denken aan kinderen in een rolstoel of met een verstandelijke beperking. Van Hove (2000) begint als hij het concept inclusief onderwijs beschrijft met “Alle leerlingen zijn welkom in de reguliere school in de buurt.” Het benoemen van “alle leerlingen” wil ik deze keer graag benadrukken. Het gaat dus ook om de zogenaamde reguliere kinderen, kinderen die gewoon mee kunnen komen in ons onderwijsstelsel. Het gaat ook om kinderen die meer uitdaging nodig hebben of hoogbegaafd zijn. En laten we vooral niet vergeten dat het ook geldt voor kinderen uit allerlei sociale lagen van de bevolking en van verschillende etnische achtergrond. Als wij bij ons op De Kroevendonk spreken over inclusief denken in het onderwijs dan hebben we het over letterlijk alle kinderen. Je bent kind, dus ben je welkom in het reguliere onderwijs waar we elkaar ontmoeten en samen de samenleving vormen.

Laatst werd mij opnieuw de vraag gesteld of we binnen ons concept toch ook wel oog hadden voor de bekende “middenmoot” en de hoogbegaafde kinderen. Natuurlijk! Inclusief onderwijs zegt immers tegen alle kinderen dat ze welkom zijn. Overigens is het kennen van alle kinderen in je groep tegelijkertijd belangrijk en moeilijk. Zeker als je te maken hebt met een groep van 30 kinderen wat tegenwoordig geen uitzondering is. Bij het goed observeren en analyseren blijkt de zogenaamde middenmoot plotseling erg divers te zijn. Voor wat betreft de hoogbegaafde kinderen is het niet meer dan logisch dat juist bij ons op school hier speciale aandacht voor is door de specialistische ondersteuning die zij krijgen in de kangoeroebijeenkomsten. Inclusief denken en handelen binnen het onderwijs betekent dat je het onderwijs zo inricht dat alle kinderen het juiste aanbod krijgen om zich te ontwikkelen. Ine Heerink zegt het in cahier speciale onderwijszorg nr. 12(Garant, 2005) als volgt: “Laat kinderen opgroeien in een omgeving, die net zo veelvormig is als de maatschappij.

Tegenstrijdig…..?

Deze week verscheen mijn artikel voor het tijdschrift passend onderwijs online: http://www.pomagazine.nl/assets/Denk-inclusief-Artikel-PO-Magazine-2017-5.pdf. Dit artikel schreef ik als voorbereiding op het congres “passend onderwijs in 1 dag”. Dit congres vindt plaats in de Jaarbeurs in Utrecht op 6 februari 2018 (http://www.pocongres.nl/).

Terwijl dit artikel over inclusief onderwijs zijn weg vindt in het onderwijsland ben ik op mijn werk bezig een leerling te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Tegenstrijdig?
Ik worstel er mee. Als groot voorstander van inclusief onderwijs nu toch een leerling verwijzen en dan ook nog in een situatie waarin de ouders de betreffende leerling liever bij ons op school zouden zien. Eén van onze intern begeleiders is bezig om de toelaatbaarheidsverklaring (tlv) aan te vragen. Ze keek me toen het besluit genomen was haast verontschuldigend aan: “Ik weet geeneens hoe dat formulier er uit ziet en wat ik dan moet doen”. Toch hebben we besloten dat dit voor deze leerling op dit moment het beste is. Wij kunnen het niet. Wij zijn niet in staat om deze leerling het onderwijs te geven wat nodig is. Tegenstrijdig?

Ja, het is tegenstrijdig aan wat we met elkaar uitdragen en waar iedereen binnen onze organisatie dagelijks keihard aan werkt, maar toch is dit op dit moment een juiste keuze. Ik heb nu bewust al twee keer de woorden “op dit moment” gebruikt. Werken aan inclusief onderwijs is namelijk onderweg gaan waarbij je het belang van de leerling(en) nooit uit het oog mag verliezen vanwege een soort dogmatisch denken. Op dit moment kunnen we geen passend onderwijsaanbod verzorgen, maar over een aantal jaar ontdekken we misschien dat het in een vergelijkbare situatie wel kan. Dat is kiezen voor inclusief onderwijs in de praktijk. Samen met je team groeien, leren en tegelijkertijd reëel blijven. Je kunt niet op elk moment alles.
Inmiddels zijn wij zo’n 15 jaar op deze weg onderweg en we leren nog dagelijks. Deze ervaring van het aanvragen van onze eerste tlv houdt ons met beide benen op de grond. Tegelijkertijd ben ik trots op een team dat vanuit visie de weg vanuit inclusief onderwijs gaat, maar ook scherp blijft op de realiteit en het belang van leerling(en) niet uit het oog verliest. Misschien lukt het in de toekomst om de nu ontbrekende expertise vanuit de speciale setting ook binnen te halen zodat we weer een stap verder komen. Inclusief onderwijs bereik je niet van het ene op het andere moment. Het is samen op weg gaan en stappen zetten, maar hierbij nooit bang zijn om aan te geven dat het (misschien tijdelijk) een keer niet lukt.

Week tegen kindermishandeling

Logo_WtKM_2017Ik hou niet zo van “de dag van” of “de week van”. Waarom één dag aan iets belangrijks aandacht geven? Mag je het de rest van het jaar dan weer vergeten? Toch liet het thema voor de komende week me niet los. Maandag 20 november geeft kersverse minister Hugo de Jonge de aftrap voor “de week tegen de kindermishandeling”. Er worden zoals gebruikelijk bij dergelijke weken speciale congressen georganiseerd, trainingen aangeboden, de social media wordt ingeschakeld etc. etc. Natuurlijk erg goed dat er aandacht voor is en niemand zal hier tegen zijn. Ik vrees echter ook dat er met name richting jeugdzorg en scholen een accent wordt gelegd op het gebruiken van protocollen en natuurlijk het gebruik van de meldcode. Ook dit is weer goed, maar kinderen worden niet geholpen door een stuk papier. Ze worden geholpen door een leraar die zijn kinderen ziet.

Een paar weken geleden verscheen het boek “Een stille leerling in je klas” van Peter Mol. De ondertitel is veelzeggend: “De leraar als betekenisvolle andere bij kindermishandeling”. Eigenlijk laat Peter in dit boek zien dat de leraar bij alle leerlingen de betekenisvolle ander moet zijn. Het boek leest aan de ene kant makkelijk en tegelijk is het indringend. Niet in de laatste plaats door het persoonlijke verhaal van Paul dat als een rode draad door het boek heen loopt. Peter doet een oproep aan alle leerkrachten om kinderen te zien. Niet alleen die opvallende leerling, maar juist ook de stille leerling. Natuurlijk wordt er in het boek gewezen op de meldcode, maar de nadruk ligt volledig op de rol van de leraar. Aan de ene kant zijn het misschien “open deuren” die beschreven worden, maar ze zijn ook zo waar! Het is immers zo ontzettend belangrijk dat juist kinderen die lijden onder psychische mishandeling, kinderen die als vluchteling ons land zijn binnengekomen merken dat er een leraar is die consistent en betrouwbaar is. Een leraar die in zijn gedrag laat zien “ik zie je, accepteer je.” Hierbij is de leraar geen vriend, maar wordt van hem leiding verwacht. Leiding vanuit relatie. Peter raakte mij door in het boek steeds te wijzen op de rol van de leraar als betekenisvolle ander. Dit ontstaat niet vanuit een checklist of protocol. Het zijn van een betekenisvolle andere vraagt niet om meer tijd en levert niet meer werk op, maar is een “zijn” vanuit de overtuiging dat je inderdaad betekenisvol bent voor de leerling en zijn verdere ontwikkeling. Dit hoort bij vakmanschap. Als je deze week tegen de kindermishandeling extra aandacht wilt geven adviseer ik je het boek van Peter Mol aan te schaffen, te lezen, te herlezen en je bewust te zijn van het feit dat je betekenisvolle ander in het leven van een kind kunt (moet) zijn.

Het boek van Peter Mol is uitgegeven bij uitgeverij LannooCampus.